Op ieder potje past een dekseltje

Op ieder potje past een deskeltje

Op ieder potje past een dekseltje

Ik ben al jaren onder de pannen, zoals dat zo mooi heet. Maar toen ik nog een naar liefde hunkerende vrijgezel was, ergerde ik mij altijd groen en geel aan mensen die zeiden dat ik mij daarover geen zorgen hoefde te maken en dat ‘op ieder potje een dekseltje past’. Verschrikkelijk vond ik dat! Hieronder leg ik uit wat mij daaraan zo stoorde.

================================================================================================

Op ieder potje past een dekseltje. Hoe vaak krijg je dat als naar de ware liefde hunkerende vrijgezel niet naar je hoofd geslingerd? Vast goed bedoeld. Maar het heeft ook iets kleinerends. Dat zit ‘m vooral in de verkleinwoorden in deze uitdrukking. Als ik het goed begrijp, ben ik als vrijgezel dus het ‘potje’ waarvan het ‘dekseltje’ nog moet worden gevonden. Alsof je tegen een vijfjarige kleuter spreekt! Ben maar gerust, kereltje, want bedenk: ‘Op ieder potje past een dekseltje!’ En er dan ook nog een beetje minzaam bij lachen en er een gezicht bij trekken alsof jij, die de ware Jacob of Jacoba natuurlijk al een eeuwigheid geleden tegen het lijf is gelopen, het allemaal zo veel beter weet. De verkleinwoorden onderstrepen als het ware de superieure positie van het potje dat zijn of haar dekseltje allang heeft gevonden. En dus wél allang onder de potten en pannen is. Het verheven potje kan zich een leven zonder perfect passend en naadloos sluitend dekseltje bijna niet meer voorstellen. Wat nog het ergst is: het dekselse potje doet wat lacherig over het naar liefdesgeluk hunkerende potje. Alsof het dekselloze potje dat niet in de gaten heeft! Het gedekte potje met al zijn levenservaring weet wel beter en lacht in zijn vuistje. Wat moet het onwetende dekselzoekende potje nog veel leren! Vooral dat op ieder potje een dekseltje past. Daarom krijg je dit als naar liefde hunkerende vrijgezel om de haverklap te horen.

Wat moet doorgaan als een welgemeend steuntje in het ruggetje om het dekselloze potje een hartje onder het riempje te steken, heeft onbedoeld een averechts effect. En versterkt bij het dekselzoekende potje alleen maar de overtuiging dat hij of zij een uitermate zielig, leeg en zinloos bestaan leidt. Je zou er bijna een potje om gaan janken. Een oplossing voor dit deksels probleem ligt niet één-twee-drie voor het oprapen. Je zou van de kinderachtige verkleinwoorden natuurlijk gewone grote mensen-woorden kunnen maken. Zo van: ‘Op iedere pot past een deksel’. Kan niet, want dan zou het alleen maar voor lesbische potjes gelden. Met zo’n uitdrukking kun je geen potten breken. Voor het wanhopige potje zit er weinig anders op dan geduldig op het zaligmakende dekseltje te blijven wachten. Komt allemaal goed, zolang je er maar geen potje van maakt. Die sterke belofte zit althans in ‘Op ieder potje past een dekseltje’ verborgen. Maar mocht de liefde van je leven zich onverhoopt toch nooit aandienen, wat dan? In dat geval heb je het deksel niet op het potje gekregen, maar op je neus. Maar wat te zeggen tegen die gedekte potjes die desondanks hardnekkig blijven beweren dat op ieder potje een dekseltje past? Ik heb het antwoord al klaar: je kunt me de pot op!

Geen reactie's

Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.