echtpaar tholen uit koningsbosch overleefde gruwelen bergen-belsen

(Onderstaand artikel schreef ik in 1997:)

 

Trautje en Arnold Tholen uit Koningsbosch overleefden

gruwelen concentratiekamp

 

"Ook doden moesten mee op appel"

 

Trautje en Arnold Tholen-Gielen uit Koningsbosch werden 53 jaar geleden tijdens een poging om door het front heen te breken

opgepakt. Wat volgde was de meest gruwelijke periode uit hun

leven. Trautje: "Wie 's nachts in de barakken in Bergen-Belsen

stierf, moest 's morgens evengoed mee op appel. De lijken

moesten we daar zelf naartoe slepen."


Een grauwe dag in december. Trautje Tholen kijkt wat

mistroostig uit het raam. "Bij zo'n somber weer als vandaag

voel ik me altijd wat depressief", zegt Trautje. "Eigenlijk is

daar geen reden toe, maar dat is iets wat ik heb overgehouden

aan het concentratiekamp. Als jong meisje was ik altijd heel

spontaan  en opgewekt. Nu ook nog wel, maar ik kan nergens

meer echt blij om zijn." Wie weet wat Trautje (77) en haar man

Arnold (79) 53 jaar geleden meemaakten, kan zich daarbij wel

iets voorstellen. Arnold begint zijn verhaal dat eigenlijk met

geen pen te beschrijven is: "Op 7 november 1944 zijn we met de

hele familie van Koningsbosch naar Montfort geëvacueerd. Via

een zekere kapelaan Hermkes, die daar ook zat, kwamen we in

contact met de Duitse Feldwebel Cox. Die Feldwebel deed zich

voor als een anti-SS'er maar wilde ons, zoals later bleek, er

alleen maar in luizen. Hij beloofde ons, in ruil voor

behoorlijk veel geld, door het front heen te loodsen. De

afspraak was dat hij ons bij Susteren zou opwachten. Wij

lieten ons met een hele groep de Rijksweg afzakken, ons

herkenningsteken was de witte rugzak. Ter hoogte van hotel De

Pauw in Echt stond Feldwebel Cox ons met zijn soldaatjes al op

te wachten. Als snel merkten we dat er iets niet in de haak

was, plots werden we omsingeld en afgevoerd naar de

landbouwschool in Pey waar we in een lokaal werden opgesloten.

Ik zie nog zo voor me hoe die Feldwebel in de schuifdeur zich

nog één keer triomfantelijk aan ons liet zien. Diezelfde nacht

nog werden we afgevoerd naar Waldfeucht, van daaruit ging het

via Hückelhoven  naar Wassenberg, waar we ook met de

kerstdagen zaten. Een beetje weke pudding, dat was ons

kerstdiner. Een paar dagen later zijn we vervoerd naar

Klingelpütz, een gevangenis in Köln. Daar zaten geen SS'ers

maar gewone Duitse militairen." Trautje: "Dat waren geen

slechte mensen, die soldaten hadden zelfs medelijden met ons,

wetende wat ons te wachten stond. Ze zeiden tegen me: als je

wilt, kun je hier blijven om te poetsen. Maar ik wilde liever

bij mijn eigen mensen blijven. Wist ik veel wat een

concentratiekamp was, daar had ik nog nooit van gehoord!"

 

Veewagens

In Klingelpütz raakten Arnold en Trautje elkaar uit het oog.

Trautje werd afgevoerd naar Bergen-Belsen, Arnold werd op de

trein naar Buchenwald gezet. "Het was meer dan twintig graden

onder nul, in veewagens zijn we vijf dagen en vijf nachten

onderweg geweest, en dat zonder eten en drinken!", herinnert

Arnold zich. "Één keer is mijn broer Heinz even het perron

opgegaan om wat sneeuw te verzamelen zodat we onze lippen

vochtig konden maken. Na aankomst in Buchenwald moesten we

eerst al onze sieraden afgeven, daarna werden we helemaal

ondergedompeld in een bad om te ontluizen. Vervolgens werden

we poedelnaakt in de buitenlucht gezet en kregen we een soort gestreept

boevenpak en klompen aan, natuurlijk bood dat nauwelijks

bescherming tegen de striemende kou. Daarna werden we van kop

tot teen kaal geschoren. Toen moesten we naar de houten

barakken, daar begon de echte ellende pas ..."

 

Rozenkrans

In Buchenwald zag Arnold dagelijks honderden mensen voor zijn

ogen sterven, Trautje maakte in Bergen-Belsen hetzelfde mee.

"Één kommetje soep per dag, dat was alles, met als gevolg

ondervoeding", zegt Arnold. "Om in een iets betere situatie te

komen, heb ik me na een week of drie aangemeld als

electricien, want dat was mijn beroep. Achteraf gezien heeft

dat mijn leven gered. Ik heb daar toen afscheid moeten nemen

van mijn vader, mijn broer en kapelaan Hermkes. Ik zou ze

nooit meer terugzien. Ik kwam te werken in de fabriek

Schönebeck, achthonderd meter onder de grond. Daar maakten de

Duitsers hun eerste straaljagers. Van wat binddraad vlocht ik

een kruis en maakte ik een rozenkrans, het geloof bood houvast

voor mij." Ondertussen ging het met Trautje zomogelijk nog

slechter: "Om vier uur 's morgens moesten we ons altijd melden

op het appel, met zo'n 40.000 mensen tegelijk! Wie 's nachts

in de barakken stierf, moest toch mee op appel, iedereen moest

immers geteld worden! De lijken, keihard geworden door de

vorst, moesten we daar zelf naartoe slepen. De bevrijding door

de Engelsen kwam net op tijd. Het had echt geen veertien dagen

meer moeten duren of ik had het niet gehaald. Op het laatst

woog ik nog maar 25 kg, ik had tyfus, zat vol zweren en had

geen haar meer op mijn hoofd." Arnold wist via een moedige

vluchtpoging tijdens een transport te ontsnappen. Op 18 juli

1945 zagen Trautje en Arnold elkaar voor het eerst weer. Hoe

wisten zij zich in zo'n onmenselijke omstandigheden staande te

houden? Arnold: "In een concentratiekamp mag je nooit de moed

verliezen, je moet een ijzeren wil hebben en hoop op leven.

Geloof me, zodra je je laat hangen, ben je binnen een week

dood, ik heb het zelf meegemaakt!"

 

 

 

Commentaren: 0